Ik ben de geschiedenis - Beyen verhaalt


Is de mens nu de optelsom of de aftreksom van zijn ervaringen? Een optelsom suggereert constructie, eenheid, een bouwsel. Een aftreksom maakt duidelijk hoe weinig we afstrepen, hoeveel oneindigheid er achter de horizon loert. Hoe groot ook onze ervaring, hoe klein ons perspectief. De vraag overvalt me bij lezing van  'De zin van het nutteloze', illustreert die titel ook.

Beyen was bevoorrecht. Zijn vader was iets belangrijks bij de Nederlandse Spoorwegen, zijn (tot dusver vooroorlogse) herinneringen zijn gezaaid in een bedje van (be)goed onderwijs. Wat me opvalt: dit is een mémoire van de geest. Geen lichaam te bespeuren. Zou dat een graadmeter kunnen zijn van sociale positie? Terwijl de geschiedenis van de gewone luiden gekleurd is door voedsel, huis en haard, fysieke arbeid, geneugten en kwellingen van het lichaam, materiële bekommernissen - wordt dit alles hier onvermeld gelaten. Literatuurwetenschappers: aan het werk. Hoe meer vermeldingen over voedsel, hoe lager de rang. Had ik nu net niet zo zwaar getafeld (vol-au-vent, frieten, en een vidéke), ik had er vast iets interessants kunnen over zeggen.


Nu de kleine perspectieven van schrijver en lezer zijn uitgeklaard, valt er ook veel moois te genieten. Té veel om hier over te typen, maar dan toch een enkele traktatie:

Over treinklassen:

"De Nederlandse Spoorwegen kenden oorspronkelijk drie klassen: de Ie waar men op rood pluche zat, de IIe waar men op groen pluche zat, de IIIe waar men op hout zat. Deze klassen correspondeerden met de drie standen waarin de Nederlandse maatschappij toen verdeeld was.
De Engelse Spoorwegen kenden alleen de eerste en de derde klas - zeer kenmerkend voor de Engelse maatschappij. Men was of een "gentleman" en zat in de Ie klas, of men was geen "gentleman" en zat in de derde. De tweede klas bestond niet maar was ook niet afgeschaft. Ze bestond slechts potentieel omdat er niemand was die er in wilde reizen." (p. 19)

Over Utrecht:

"Utrecht is eeen oude stad en, nog altijd, een mooie stad. Er is nog iets over van het middeleeuwse stempel, dat verder in Nederland onder de Republiek vrijwel verdwenen is. het nieuwgeboren Protestantse Nederland wilde van zijn middeleeuws verleden, ja zelf van de Bourgondische glorie van dat verleden, niets weten. Het bouwde zich een Romeins verleden op en vond in Claudius Civilis zijn Vercingetorix [...] Maar het verleden laat zich niet zo gemakkelijk uitwissen en Utrecht behield in zijn structuur de "empreinte" van zijn zeven kapittelen, door wier gebied geen weg mocht lopen, en in zijn grachten en kerken iets van een sfeer die in de zeventiende eeuw groot geworden steden niet hebben." (p. 32)

Een rokende revolver

"Mijn eindexamen [aan het gymnasium] deed ik in juni 1914.Mijn ouders namen mij op 29 juni mede voor een viering in Scheveningen. Toen wij uit de stoomtram stapten liepen de krantenjongens met extra uitgaven: "Moord op Aartshertog Frans Ferdinand en zijn gemalin te Serayevo." In de eerstvolgende Groene kwam een plaat van Braakensiek: Prinkip die, met een rokende revolver in de hand, zeide: "Ik ben de geschiedenis". Het zou nog een maand duren voordat alle Nederlanders beseften hoe juist hij het had gezien." (p. 57)

Comments

Popular posts from this blog

Crisis of transitie?

vreemde, hoopvolle dagen