“Jij bent een boer”, zegt mijn lief. Om er snel aan toe te voegen: “In de goede zin van het woord.” Zou ze bedoelen dat ik een verwoede strijd voer tegen de melkvee-industrie? Dat ik zorgzaam het land bewerk in de lente om te kunnen oogsten in het najaar? Dat ik mijn hond en kat in het voorbijgaan een liefdevolle aai geef waarna ik met mijn riek noest de mest der mensheid recycleer? Om er poëzie uit te persen en de vergankelijkheid te lijf te gaan?

Neen hoor. Mijn lief haalt de vergelijking van stal als ik weer eens mijn enigszins onbehouwen zelf ben. Ze roemt mijn eenvoud, mijn vermogen om het leven tegemoet te treden met gezond boerenverstand: we staan ervoor en we moeten erdoor. Vol vertrouwen de hand aan de ploeg slaand, oog hebbend voor dat korreltje aarde, die glinstering van het plantje in het avondlicht.

Zij weet, ik weet: daar is weinig van aan. Maar ik voel me gevleid. Als ik nooit een boer mag worden, maar het wel ben in de ogen van mijn geliefde, voelt het alsof ik meer dan geslaagd ben. Waarin, dat weet ik niet. Maar net dat is wat dit gevoel zo prachtig maakt.


Comments

Popular posts from this blog

Crisis of transitie?

vreemde, hoopvolle dagen